Eerste stappen richting vrede

In 1991 ontmoetten Israëlische ambtenaren en de leiding van de PLO elkaar voor het eerst in Madrid om te praten over een oplossing van het conflict. Het leidde tot de Oslo-akkoorden die in 1994 werden ondertekend door ondermeer de voormalige Israelische premier Yitzhak Rabin. In de akkoorden stond dat de Palestijnen hun zelfbestuur kregen, met een gewapende politie en eigen toegang tot het buitenland. De akkoorden waren een eerste stap naar de oprichting van een Palestijnse staat. 

Op 4 november 1995 werd Rabin vermoord door een fundamentalistische Jood, Yigal Amir. Hij wilde niet dat Israel land zou opgeven aan de Palestijnen. De moord kwam als een donderslag bij heldere hemel en is een zwarte bladzijde in de Israelische geschiedenis. Het maakte ook veel Israeliers bewust van de noodzaak om extremisme te bestrijden. 

Aan Palestijnse zijde waren er ook gewelddadigheden als gevolg van het vredesakkoord. Ze waren het onderling niet met elkaar eens. Hamas, een fundamentalistische organisatie, beschuldigde de PLO van het verraden van de Palestijnen. 

Het gevolg van deze meningsverschillen binnen de Palestijnen, was dat er een golf van dodelijke terroristische aanslagen tegen Israeliers. Zo pleegde Hamas in februari 1996 twee zelfmoordaanslagen waarbij 27 Israeliers om het leven kwamen. De aanslagen werkten de vredesakkoorden tegen en zorgden ervoor dat veel Israeliers niet meer geloofden in de mogelijkheid en de wil van de Palestijnen om in vrede samen te leven met Israel.

Als reactie op de (zelfmoord)aanslagen vermoordde Israel zij die betrokken waren bij die aanslagen. Het leidde tot een publieke confrontatie tussen de PLO en Israel, omdat de PLO tegen iedere inmenging door Israel op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook was.